slim kiezen voor efficiënter beleid

“Dus een wortel voorhouden werkt soms contraproductief?” Het werd als vraag gesteld, maar was de conclusie van een discussie over zin en onzin van beloningen geven met het oog op gedragsverandering.

Tijdens een 7E-brainstorm levert de hefboom Encourage veelal de meeste hits op. Mensen brainstormen graag rond beloningen die ze kunnen geven aan mensen die het gewenste gedrag stellen. Van gadgets en knuffelbeesten, over premies en subsidies tot festivalletjes … Ik sta ervan te kijken welke gekke ideeën als beloning op tafel komen. Niet alle ideeën zijn even relevant in relatie tot het doel dat men wil bereiken. Soms schiet het enthousiasme door en dan geeft men de beloning in het uiteindelijke veranderplan een meer centrale plaats dan het gewenste gedrag zelf. Omdat belonen zo goed in de markt ligt als hefboom voor gedragsverandering, geven we graag wat tegengas.

In het 7E-model zien we de hefboom Encourage eerder als een laatste redmiddel als blijkt dat een mix van de andere hefbomen niet sterk genoeg is om het gewenste gedrag te realiseren. Of en hoe je beloningen of duwtjes-in-de-rug inzet in beleid of communicatie hangt samen met twee zaken: de motivatie die je doelgroep heeft (en de sterkte daarvan) en de zwaarte van de drempels die de doelgroep moet overwinnen om het gewenste gedrag te stellen.

De doelgroep die je wilt bereiken kan drie vormen van motivatie ervaren:

  • Intrinsieke motivatie: de eigen motivatie om zaken te doen. Denk aan een jongen die spontaan het gras wil afmaaien omdat hij zo graag met de grasmaaier werkt. Je hoeft deze jongen niet   aan te sporen, hij wil dat vanuit zichzelf doen.
  • Sociale motivatie: de motivatie die je put uit de sociale contacten, die samenhangt met het gevoel ergens bij te horen. Een jongen die fier is omdat hij samen met zijn vader het gras mag maaien. De vader moet het idee maar opperen en de zoon springt al op om de grasmaaier uit de garage te halen.
  • Extrinsieke motivatie: de motivatie die je krijgt omdat er een beloning in het vooruitzicht gezet wordt. De jongen die het gras maait omdat zijn vader hem vijf euro heeft beloofd.

Wie intrinsiek of sociaal gemotiveerd is, heeft veelal een gemiddelde tot hoge motivatie en behoeft geen beloning om in beweging te komen. Vaak is het bieden van een goede ervaring met het gewenste gedrag (experience) of het bieden van ondersteuning (enable) voldoende om over stag te gaan. Bieden we de beloning toch aan, dan is de kans groot dat we op termijn in ons eigen vel snijden omdat de oorspronkelijke intrinsieke of sociale motivatie afkalft onder invloed van de beloning. Als de jongen die het fijn vindt om het gras af te rijden daarvoor enkele keren vijf euro krijgt, dan is het risico reëel dat hij het gras met slepende voeten maait als er geen vijf euro aan vasthangt. Zo verliest hij het plezier van grasmaaien.

Om enkel een beloning uit te reiken in situaties waarin de beloning ook écht een verschil maakt, moet je naast de motivatie ook de complexiteit van het gedrag zelf in rekening brengen. Daarvoor breng je de redenen in kaart waarom mensen al dan niet het gewenste gedrag zouden vertonen. Hoe complexer het doelgedrag is en hoe hoger de drempels zijn, des te waarschijnlijker is het dat je een beloning nodig hebt om tot een goede mix van hefbomen te komen. Wie gemotiveerd is en weinig drempels ondervindt om het doelgedrag te stellen, heeft vaak geen beloning nodig. Hoe motivatie, drempels en hefbomen op elkaar inwerken, wordt duidelijk in het onderstaande schema.

Drempels_hefboom_matrix

Bron: Bambust, F. (2015), Effectief gedrag veranderen met het 7E-model. Brussel, Politeia, p. 173.

Wat betekent dit voor onze beleidsmakers?

Dat beloningen zoals subsidies en premies selectiever kunnen worden ingezet dan nu het geval is. Laat ons de dakisolatiepremie als voorbeeld nemen. Voor een belangrijk aandeel van de aanvragers van deze premie, is de premie niet het doorslaggevende argument om hun dak te isoleren. Wie een oud huis renoveert, vernieuwt en isoleert veelal sowieso zijn dak. De premie is dan een leuke extra inkomst waarmee ze andere kosten in huis kunnen financieren of toch een weekendje weg kunnen. De recente SERV-studie rond Gedragseconomie en energiebesparing* duidde dit effect van het premiebeleid aan met de term  ‘meeneemeffecten’: “de subsidies en premies worden in veel gevallen opgestreken door mensen die de geplande investeringen ook zonder de subsidies en premies zouden doen, en hebben bijgevolg weinig ‘additionaliteit.”

Betekent mijn pleidooi dat je de dakisolatie voor de ‘gewone’ burger moet afschaffen? Neen, zeker niet. Maar gebruik ze op een manier die differentieert tussen burgers. Voor de meerderheid van de bevolking zet je de premie op zo’n manier in dat ze additionele effecten uitlokt. De dakisolatiepremie wordt dan niet meer een premie voor de ‘normale’ isolatiedikte van 6 tot 12 cm**, maar wel een (aantrekkelijk hoge) premie voor wie zijn dak isoleert met een ruimere dikte (20 cm of meer). Daarnaast reserveer je de dakisolatiepremie voor doelgroepen die enkel met extra persoonlijke begeleiding én met een voldoende hoge premie dakisolatie zullen plaatsen. Ik denk dan aan kansarme huurders, verhuurders, noodkopers. Van hen is geweten dat zij – om diverse redenen – geen dakisolatie steken, zelfs geen 6 cm. Wil je hen ook meekrijgen in het isolatieverhaal, dan moet je alle 7 hefbomen inzetten, ook de Encourage.

* SERV-publicatie te downloaden op http://www.serv.be/sites/default/files/documenten/SERV_20151019_gedragseconomie_energiebesparing_RAP.pdf

** We weten dat isolatiepremies worden berekend op basis van de isolatiewaarde van het materiaal en dat je de isolatienorm – strikt genomen – niet kan omschrijven via de isolatiediktes. Maar omdat burgers wel denken in termen van diktes (X of Y centimeter isolatiemateriaal), sluiten we voor deze blog graag aan bij deze zienswijze, ook al is dat technisch gezien minder nauwkeurig.